Negen Vlaamse kernen krijgen sterkere regionale rol in Beleidsplan Ruimte Vlaanderen
Zele, Zelzate, Aalter, Puurs-Sint-Amands, Willebroek, Ternat, Zemst, Landen en Houthalen-Helchteren krijgen in het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen een versterkte rol binnen het Vlaamse netwerk van steden en gemeenten. Door hun ligging, bereikbaarheid en voorzieningenniveau kunnen zij, wanneer daar lokaal behoefte aan is, bijkomende woon-, economische en voorzieningennoden op een kwalitatieve manier opvangen.
Hun ontwikkelingsperspectief wordt vergelijkbaar met dat van de kleinere stedelijke gebieden die dertig jaar geleden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werden aangeduid. Anders dan vroeger blijft het betrokken gemeentebestuur daarbij zelf aan het stuur, in overleg met de provincie en het Departement Omgeving.
Die keuze doet geen afbreuk aan de ontwikkelingsmogelijkheden van andere steden en gemeenten. Elke gemeente behoudt binnen het BRV ruimte om haar lokale woon-, economische en voorzieningennoden op te vangen, rekening houdend met haar eigen schaal, ligging en ruimtelijke draagkracht. De negen geselecteerde kernen krijgen een duidelijker perspectief om daarnaast ook bepaalde bovenlokale functies voor hun ruimere regio op te nemen.
“We leggen deze gemeenten geen groeicijfer op en zeggen evenmin dat ze plots groter moeten worden. We erkennen wel dat zij door hun ligging, bereikbaarheid en voorzieningen een sterkere rol voor hun ruimere regio kunnen opnemen. Als er behoefte is aan bijkomende woningen, economische ruimte of regionale voorzieningen, moeten zij die op geschikte locaties kwaliteitsvol kunnen opvangen. De gemeente blijft daarbij zelf aan het stuur”, aldus Vlaams minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns.
Stationsomgevingen bieden kansen voor vernieuwing
Stationsomgevingen zijn een concreet voorbeeld van plekken met veel potentieel. Het BRV beschouwt goed bereikbare stations als belangrijke locaties voor transformatie. Wonen, werken, leren, dienstverlening en ontspanning kunnen er dichter bij elkaar worden gebracht. Zo kunnen verouderde of onderbenutte sites worden vernieuwd zonder elders nieuwe open ruimte aan te snijden.
Een gemeente kan er bijvoorbeeld voor kiezen om rond haar station bijkomende woningen mogelijk te maken, leegstaande gebouwen een nieuwe functie te geven of wonen te combineren met kantoren, winkels en publieke voorzieningen. Zulke ontwikkelingen moeten steeds gepaard gaan met kwalitatieve publieke ruimte, groen en water en veilige fiets- en wandelverbindingen.
“Lokale besturen botsen vandaag soms op plannen en voorschriften die dateren uit een heel andere tijd. Wanneer een gemeente rond een goed bereikbaar station een verouderde site wil omvormen tot een aantrekkelijke buurt waar wonen, werken en voorzieningen samenkomen, moeten onze regels dat ondersteunen in plaats van onnodig afremmen”, zegt Brouns.
Het BRV wil daarom drempels in onder meer verordeningen, verouderde ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg helpen wegwerken. Vlaanderen zal lokale besturen ondersteunen met modelverordeningen en een instrumentenkoffer die kwalitatieve transformaties eenvoudiger mogelijk maakt.
Voorzieningen dichter bij huis
De negen kernen krijgen ook een duidelijker perspectief om voorzieningen met een bovenlokale functie op te vangen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een sport-, zorg-, onderwijs- of gemeenschapsvoorziening die niet alleen de eigen inwoners, maar ook mensen uit omliggende gemeenten bedient. Ook werklocaties met een bovenlokale functie kunnen er een plaats krijgen, wanneer ze ruimtelijk passend en goed bereikbaar zijn.
“Niet elke voorziening hoeft automatisch in een grote centrumstad terecht te komen. Wanneer een sterke kern goed bereikbaar is en een functie voor de omliggende regio kan opnemen, moet ze daarvoor kansen krijgen. Dat is goed voor de gemeente zelf én voor de inwoners van omliggende dorpen, die zo dichter bij huis toegang krijgen tot belangrijke voorzieningen”, aldus Brouns.
Gemeente bepaalt zelf waar ontwikkeling wenselijk is
De aanduiding betekent nadrukkelijk niet dat het volledige grondgebied van deze gemeenten plots als stedelijk gebied wordt beschouwd. In een volgende stap wordt voor elke nieuwe kleinstedelijke kern een contour bepaald. De betrokken gemeente neemt daarbij het voortouw, in overleg met de provincie en het Departement Omgeving.
Ook binnen die contour is ontwikkeling geen automatisme. Het gemeentebestuur bepaalt zelf waar transformatie of verdichting wenselijk is en waar het net aangewezen is om de bestaande kwaliteiten te bewaren of te versterken.
Ontwikkelen op plaatsen die daarvoor geschikt zijn
Deze aanpak past binnen de bredere bouwshift. Vlaanderen wil toekomstige woonvragen, voorzieningen en verweven economische activiteiten zoveel mogelijk opvangen binnen bestaande kernen en reeds ingenomen ruimte. Zo kan ontwikkeling samengaan met sterkere winkels en diensten, betere bereikbaarheid en investeringen in publieke ruimte, terwijl de druk op de open ruimte afneemt.
Voor de negen nieuwe kleinstedelijke kernen schuift het BRV daarom verschillende ontwikkelingsmogelijkheden naar voren: de vernieuwing van stationsomgevingen, transformatie en kwaliteitsvolle verdichting, bovenlokale voorzieningen, goed bereikbare werklocaties, doelgroepgericht wonen, multimodale bereikbaarheid, groenblauwe dooradering en klimaatadaptatie.
“De bouwshift betekent niet dat Vlaanderen op slot gaat. We willen ruimte geven aan ontwikkeling, maar die ontwikkeling beter sturen naar plaatsen waar ze de meeste maatschappelijke meerwaarde en ruimtelijke kwaliteit kan opleveren. Met deze keuze geven we negen sterke kernen de kans om, op hun eigen maat en onder regie van het lokale bestuur, een grotere rol voor hun regio op te nemen”, besluit Brouns.
